Kennismaking:
Deze bietjes horen tot de familie van de ganzevoetachtigen en worden ook wel eens “kroten” genoemd.
Ze zijn een beetje dubbelzinnig voor vele mensen. Sommige mensen laten het afweten omwille van de “grondsmaak” die deze vrucht wel
wat heeft. Daar zijn echter middeltjes voor om dit euvel te omzeilen. Anderzijds zijn ze dan weer geëerd omwille van de goede eigenschappen die ze in
zich hebben. Deze groente heeft kankerremmende eigenschappen, weliswaar in matige dosis. Dat neemt niet weg dat ze zeker in een gezond voedingspatroon
thuis hoort. De rode biet neemt in de gastronomie ook een niet te verwaarlozen plaats in en behoort vooral tot de herfst- en wintervoeding.
Grond en bemesting:
Rode bieten doen het goed op alle gronden. Ze vragen wel een zonnige omgeving, maar zeker geen
verse mest. Wel “oude kracht” onder de vorm van compost, gegeven het jaar ervoor. Wat kalium zullen ze zeker graag hebben,
omdat dit voedingselement de bewaarbaarheid verbetert en zorgt voor een betere kleurzetting.
Ze groeit graag op een bodem met een pH
die ligt tussen 6,5 en 7.
Rassen:
Voor deze bietjes bestaat er een vroege teelt en een normale teelt. Voor de vroege teelt is het de
bedoeling om te oogsten van eind juni tot de volle zomer. Voor deze teelt is de Egyptische platronde het meest gebruikte ras.
Voor de normale teelt zijn de meest voorkomende selecties : Kogel of Detroit met als meest voorkomende selecties : Vuurrode kogel en Kogel 2.
Er zijn nog verschillende types naar vorm en kleur.
Ronde soorten maken minder contact met de grond, wat de smaak ook gunstig beïnvloedt. Buiten
deze types worden er nog diverse andere rassen aangeboden, zoals de zware langwerpige kroten.
Zaaien en verzorging:
Deze rode bietjes worden gezaaid vanaf half maart voor de vroege teelt en vanaf half april tot begin
juli voor de herfst en wintervoorraad.
De kurkachtige zaden die eigenlijk in een “kluwen” zitten, worden best uitgedund na de opkomst.
De rijen komen 25 tot 30 cm van elkaar en in de rij laten we een 10-tal cm tussen de planten.
De zaaidiepte is ongeveer 1 cm, maar vooral
goed aandrukken is hier belangrijk om een goede kieming te waarborgen. Best eens broezen direct na het zaaien. De kieming van de zaden gebeurt na
een 10-tal dagen. De temperatuur is bepalend bij de opkomst, maar mag toch rond de 15 °C liggen.
Uitdunnen, wieden en schoffelen hebben
zij graag. Van de drie plantjes welke uit een “kluwen” voortkomen, wordt één plantje overgehouden. Het vraagt wat
“fijn werk” om de overige plantjes ook niet los te trekken. Altijd goed aandrukken van de overblijvende planten in de rij. Uitdunnen op
5 of 10 cm zal de grootte van de biet bepalen. Voor de keuken heeft men liefst geen al te grote bietjes nodig.
Oogsten en bewaren:
Ze laten zich gemakkelijk oogsten. Hoe jonger men ze oogst, hoe malser ze zullen zijn. De oogst
voor de wintervoorraad begint in oktober en gaat tot in november, vóór de eerste nachtvorst (foto 2).
Het loof afdraaien en inleggen in vochtige grond zal ervoor zorgen dat deze biet zonder moeite goed bewaart tot in de volgende lente.
Leg ze vorstvrij, eventueel in een bak.
Ziekten en plagen:
Deze groente wordt weinig aangetast, ondanks het feit dat ze toch wat belagers heeft:
- Er zijn allereerst de bietenkevertjes ; deze vreten gaatjes in het stengeltje. Maar dit komt in liefhebberstuinen weinig voor.
- Bietenvlieg: de larven van deze vlieg boren gangen in het blad. Dit komt eveneens weinig voor.
- Bladluizen zorgen wel eens voor wat men noemt de vergelingsziekte. Dit is een virus dat door de luizen wordt overgebracht.
Gebreksziekten komen nog het meeste voor:
- Boorgebrek zorgt voor hartrot en kaliumgebrek kan zich ook voordoen, zichtbaar door het gegolfde en gebobbelde blad dat donkerder is dan normaal.
- Best is om alle wortel- en vruchtgewassen van voldoende kalium te voorzien omdat dit de kleurzetting, de bewaarbaarheid en de smaak gunstig beïnvloedt.